Na de slechting van de Bredase vestingwerken tussen 1870 en 1876 had Breda enige groeimogelijkheden, maar hieraan kwam al snel een eind. Om toch verder te kunnen groeien kocht de gemeente Breda in 1918 een deel van de Belcrumpolder. Daar ontwikkelde zich een woonwijk tussen de industrie. Maar hoe zat het de eeuwen daarvoor ? Daarvoor is de kadastrale minuut van 1824-1832 een belangrijke bron. Met deze kaart werd nauwkeurig vastgelegd hoe het landschap was ingericht. Ook wie er eigenaar was en hoe de grond gebruikt werd.
De Belcrum, 200 jaar terug.
06-01-2026Aan de hand van het grondgebruik valt er veel over het oude landschap te vertellen. Een groot deel van de Belcrumpolder moet een laag en nat gebied geweest zijn. Hooiland, dat te nat te nat en drassig was om er koeien op te laten grazen, en misschien in de winter zelfs onder water kwam te staan. Een groot verschil met het gebied ten oosten van de Terheijdenseweg, het huidige Liniekwartier, met veel tuinbouw, akkers en een flink aantal boerderijen.
Linksboven ziet u de Belcrumberg, met daarop het 17de eeuwse Speelhuis en de enige(!) boerderij in de gehele polder. Deze natuurlijke hoogte, een rivierduin, was deels als Sterrenbos ingericht en deels als akker. Oorspronkelijk was deze akker een jachtterrein (een warande) van de Nassau's.
Het Speelhuis was te bereiken door de in dezelfde periode aangelegde één kilometer lange Speelhuislaan die aansloot op de weg naar Terheijden. Op de foto hierboven is te zien hoe deze aan het eind van de 19de eeuw erbij lag. Het was ook de enige weg door de polder heen.
De Terheijdenseweg begrensde de oostzijde van de polder en de Crogtdijk, een heel eenvoudig dijkweggetje, vormde aan de noordzijde de grens.
Aan het landelijke karakter van het gebied kwam een einde toen de stad Breda de polder in 1918 kocht van de dienst der Domeinen terwijl het eigenlijk op Teterings grondgebied lag. Een ingewikkelde situatie dus.
Pas in 1926 vestigden de eerste bedrijven zich en begin jaren '30 werd een begin gemaakt met de bouw van de woonwijk.