8 mei 2015

Modernisme in Breda

Modernisme in Breda vóór de Tweede Wereldoorlog

Door Marc Berends en Gerard Otten

Het interbellum, de tijd tussen de twee wereldoorlogen, was een spannende tijd. In deze tijd is ontzettend veel gebeurd. Europa moest het trauma van de Eerste Wereldoorlog verwerken, in Italië, Duitsland en andere landen kwamen autoritaire bewegingen op en de dreiging van de Tweede Wereldoorlog hing in de jaren dertig al in de lucht.

In de kunst, de architectuur en in de wereldbeschouwing kwamen allerlei vernieuwende stromingen op, die samengevat worden onder de term modernisme. Het modernisme ontstond al aan het eind van de negentiende eeuw in de Verenigde Staten en kwam in het interbellum naar Europa en naar Nederland. Deze bewegingen kwamen in verzet tegen de traditionele opvattingen en vormen van kunst, architectuur, literatuur, geloof, sociale organisatie en dagelijks leven. De architectuur onder andere moest worden vernieuwd zodat deze beter de moderne geïndustrialiseerde maatschappij zou weerspiegelen. Ook in Breda heeft het modernisme zijn sporen nagelaten.

Modernisme

Modernistische stromingen zijn onder andere het rationalisme, het expressionisme, het constructivisme, het functionalisme, het Nieuwe Bouwen en de Internationale Stijl. Het rationalisme is in Nederland voornamelijk verbonden aan de architectuur van Berlage. Het Nederlands expressionisme wordt ook wel de Amsterdamse School genoemd. Het constructivisme was tot 1921 de officie kunst van de Russische Revolutie.
We zullen ons in het kader van het modernisme concentreren op wat meestal het functionalisme wordt genoemd en het Nieuwe Bouwen en de Internationale Stijl. Functionalisme was een stroming in de architectuur die inhield dat constructie en uiterlijk bepaald moesten worden door de functie van het gebouw. Alle uiterlijke kenmerken moesten een afspiegeling zijn van functionele elementen. Schoonheid was hierbij geen doel op zich, maar de schoonheid van een gebouw was gelegen in zijn functie. Form Follows Function werd het ook wel genoemd. Het Nieuwe Bouwen en de Internationale Stijl legden sterk de nadruk op zaken als functionaliteit, strakke vormen, moderne constructietechnieken en afwezigheid van versieringen. De meest spraakmakende internationale modernistische architect in deze tijd (hoewel hij maar weinig gebouwd heeft) was uiteraard Le Corbusier. De meest bekende naam in Nederland is Rietveld.

Op twee handen te tellen

We zullen nu een onderzoek doen om te zien wat er in Breda werkelijk gebouwd is aan modernisme vóór de Tweede Wereldoorlog en hoe men in Breda met het modernisme is omgegaan. Breda was geen wereldstad, zo veel is duidelijk. Het aantal modernistische panden van vóór de Tweede Wereldoorlog in Breda is op twee handen te tellen. We kunnen ze nog eens samenvoegen tot drie complexen. Een echte Cité Moderne hebben we in Breda nooit gehad.
Desalniettemin heeft de meest bekende modernistische architect in Nederland, Gerrit Rietveld, vóór de oorlog twee panden gebouwd in Breda en heeft hij waarschijnlijk ook nog eens adviezen gegeven bij de bouw van een (nu gesloopte) fabriek. De andere modernistische panden zijn gebouwd door lokale architecten.

Montenspark_Rietveld.jpg
afb.1 Een van de twee originele Rietveldwoningen in het Montenspark. Foto: Frank Toeset.

Verantwoorde architectuur

In de architectuurgeschiedenis wordt voor deze periode veel aandacht besteed aan het modernisme. In werkelijkheid is er in Nederland (en Breda volgde deze trend) maar weinig in echt modernistische stijl gebouwd. De meest gebruikelijke bouwstijl was wat in die tijd meestal verantwoorde architectuur werd genoemd. Vernieuwing, maar met mate. Huizen werden gebouwd in baksteen, met schuine daken, gedekt met pannen. Er werden ook modernistische elementen gebruikt zoals ronde ramen, stalen ramen, betonnen lateien en balkons met stalen balustrades. Hendrik Berlage en Frank Lloyd Wright leverden de inspiratie. Deze stijl wordt meestal aangeduid als interbellumstijl. Deze bouwstijl was ook bevloed door de Engelse tuinstadgedachte. Het was een reactie op de bouwstijlen van vóór de Eerste Wereldoorlog met zijn opgesierde voorgevels in historiserende stijlen, blinde zijgevels en een achtergevel die in de cement was gezet. Enerzijds was het modernisme in Breda uiterst zeldzaam, anderzijds werd er ook niet veel gebouwd in duidelijk traditionalistische vormen.

De hoofdstroom

We kunnen de heersende architectuuropvattingen in Breda ook taxeren aan de hand van de spraakmakende personen hier en hun voorkeur. Breda was een stad waar de macht van de Katholieke Kerk groot was. De bisschop zal het modernisme waarschijnlijk rechtstreeks geassocieerd hebben met de bouwstijl uit het begin van de Russische Revolutie. Burgemeester Van Sonsbeeck was de drijvende kracht achter de nieuwbouw van het Stadhuis met zijn kruiskozijnen en glas-in-loodramen. We zouden hem kunnen duiden als traditionalistisch. Directeur van Openbare Werken Hornix beschouwde de watertoren in de Belcrum als zijn belangrijkste ontwerp. Deze is gebouwd in de vormen van het expressionisme. Hornix ontwierp later ook veel bruggen in Breda, zoals de Willemsbrug. Deze is gebouwd in beton, maar dit bouwmateriaal is gecamoufleerd met baksteen en siersmeedwerk. Burgemeester Vermeulen van Princenhage liet Villa de Eiken bij het Liesbos bouwen als particuliere woning in de bekende interbellumstijl. Het huis was modern ingericht, met lichte meubels. Zijn opvolger, burgemeester Sutorius, liet de burgemeestersvilla aan de Laan van Mertersem 2 bouwen in een Engelse landhuisstijl. De spraakmakende architecten in Breda waren Korteweg, Verwoerd en Temme, die samen één bureau vormden, Frans Mol en architect De Lint uit Ginneken. Korteweg, Verwoerd en Temme bouwden de spreekwoordelijke interbellumhuizen, maar hebben ook minstens twee modernistische panden gebouwd (Salve Viator en de Nutskleuterschool). Frans Mol bouwde zowel modernistisch (Generaal van der Plaatstraat) als zeer traditioneel (klokgevels tijdens de Tweede Wereldoorlog) en De Lint was vooral bekend vanwege zijn villas en landhuizen in landelijke stijl.

De minderheid

De tegenstelling katholiek - protestant speelde een grote rol in Breda. Het grootste deel van de bevolking was katholiek. Er was echter in Breda ook een grote, vrijzinnige protestantse minderheid, die goed georganiseerd was. We denken bijvoorbeeld aan de Maatschappij tot Nut van het Algemeen (deze heeft de modernistische Nutskleuterschool laten bouwen aan de Boeimeersingel). Leidende personen probeerden zo veel mogelijk deze gevoeligheden te ontzien. De Koninklijke Militaire Academie (KMA) was in Breda gevestigd en Breda was garnizoensstad. Er waren verschillende rijksdiensten in Breda gevestigd, zoals de rechtbank, de spoorwegen en het kadaster.
Verder hadden we in Breda natuurlijk een kleine groep mensen (zowel katholiek als protestant) met veel geld, moderne ideeën en contacten vanuit Breda over heel Nederland en daarbuiten. Het echtpaar Klep bijvoorbeeld, een van de eigenaren van de IJzergieterij en Emailleerfabrieken De Etna, had de wens de financiële mogelijkheden een modernistische villa te laten bouwen in het Montenspark.

Sociale woningbouw

Er zijn zo weinig modernistische gebouwen gebouwd in Breda dat we wel een uitputtende lijst kunnen geven. De oudste woningen in modernistische stijl zijn de zogenaamde Betonwoningen in de Zandberg. Na de Eerste Wereldoorlog werd er in de volkswoningbouw druk geëxperimenteerd met beton. De prijzen waren enorm gestegen en men wilde toch voldoende huizen bouwen voor de arbeidersklasse. De Betonwoningen aan de Zandbergdwarsstraat werden gebouwd in 1922. Op dat moment viel de Zandberg nog onder de gemeente Teteringen, die dan ook de opdrachtgever was. Burgemeester G.M. Sutorius was in 1921 burgemeester geworden van deze verstedelijkte gemeente (later werd hij burgemeester van Princenhage) en de bouw van de Betonwoningen was het eerste wat hij hier tot stand bracht. De centrale straat in het complex heette dan ook aanvankelijk de Sutoriusstraat. De Betonwoningen omvatten twee bouwlagen (aanvankelijk boven- en benedenwoningen), met een plat dak. De woningen werden gebouwd door Bredero's Bouwbedrijf te Utrecht. In 1927 kwam het complex door de annexatie in Breda te liggen. Dit is het enige modernistische complex in Breda dat geen monumentale status heeft.

betonwoningen_zandberg.jpg
afb.2 De Betonwoningen in de Zandberg. Foto: Joris Verhoeven, Stadsarchief Breda, 2009.

Breda als villastad

Burgemeester van Sonsbeeck wilde Breda ontwikkelen als een villastad volgens de principes van de Engelse Tuinstad. Ook Ginneken en Princenhage zagen zichzelf graag als villadorp. Tussen de twee wereldoorlogen zijn het Montenspark, het Brabantpark en de Laan van Mertersem ontwikkeld als villapark. Spontane villa-ontwikkelingen vonden plaats rond het Mastbos en het Liesbos. Een bouwondernemer bouwt woningcomplexen voor de middenklasse in de gemiddelde smaak. Het belangrijkste kenmerk van villabouw is echter de individuele opdrachtgever, die vanuit een persoonlijke smaak en levensopvatting bewust kiest voor een architectuurstijl en dat kan het modernisme zijn. Villa's hebben een grote overlevingskans en het resultaat is dan ook dat we in Breda de meeste modernistische villas nog steeds kunnen bewonderen. De villa Burgemeester de Manlaan 12 werd gebouwd door de architect J. Ferguson uit Delft voor Thos.T.H. Ferguson in 1925. Het wordt bescheiden omschreven als een landhuisje ter bewoning en een garagegebouwtje. Het aardige pand is helaas in 1969 onherkenbaar verbouwd en van een schuin dak voorzien.

deManlaan.jpg
afb.3 Een prentbriefkaart met de modernistische villa Burgemeester de Manlaan 12, afgestempeld in 1931. (Collectie Stadsarchief Breda)

Aan de rand van het Mastbos

Wat ons opvalt is dat alle modernistische villa's (buiten bovengenoemde) gebouwd zijn in een korte periode, tussen 1930 en 1935.
Gerrit Rietveld bouwde in 1931-1932 de villa Montenspark 8 voor A.M.F. Klep, een van de eigenaren van de Etna. Ten tijde van de bouw stond het witte, kubistische bouwwerk nog midden tussen de dennenbomen van het Mastbos. Iedere ruimte is zo open mogelijk om aldus de natuur volop binnen te laten, zei Rietveld zelf. Onnodig te vermelden dat de villa ingericht was met moderne, stalen meubels. We mogen veronderstellen dat het echtpaar Klep een jong en modern echtpaar was. Het buurpand Montenspark 6 volgde in 1932, eveneens ontworpen door Rietveld, nu voor dr. Chr. Nuijens. Beide woningen staan op de monumentenlijst.

De villa Salve Viator aan de Burgemeester Kerstenslaan 8 (eveneens op de monumentenlijst) werd ontworpen in 1932 door de Bredase architect Jan Temme van Bouwbureau J. Korteweg ACzn. De opdrachtgever was W.H.R. Oxenaar, een gepensioneerde uit Nederlands-Indië. |In  het huidige Indonesië stonden in de voormalige Europese wijken wel meer van dit soort witgepleisterde huizen met overstekende dakranden.

Lelijke gebouwen

In 1933-1934 bouwde de aannemer Jan van Poppel een groepje modernistische huizen aan de Generaal van der Plaatstraat, ontworpen door de architect Frans Mol. Het gaat hier om een vrijstaande villa en twee blokken van twee woningen. De huizen liggen op een opvallende plek, midden tussen het groen, waar de rivier de Mark de singel in stroomt. De vrijstaande villa werd aangeduid als Villa de Neeve. Deze was bestemd voor de directeur van de Rotterdamsche Bankvereeniging J.J. de Neeve. Waarschijnlijk heeft de wens van deze laatste de doorslag gegeven bij de keuze van de bouwstijl. Wellicht ook was dit een experiment van de bouwondernemer om te zien of er behoefte was aan dit soort huizen. Het interieur is echter tamelijk traditioneel. Het hele groepje staat op de monumentenlijst.

Op 14 februari 1935 vond er in de gemeenteraad een discussie plaats over deze huizen. De heer Crul noemde ze eenige alle doorkijk benemende, leelijke gebouwen. Het gemeentebestuur stond evenwel min of meer welwillend tegenover het modernisme, als het maar niet te veel opviel. Burgemeester van Sonsbeeck zei: De bewuste huizen aan de Generaal Van der Plaatstraat worden niet door iedereen leelijk gevonden; men moet ook de anderen wat vrij laten in hun keus. Dat zij veelal niet in den smaak vallen, ligt vooral aan de plaats waar zij staan; een doelmatige beplanting zou hier veel goeds tot stand kunnen brengen. Aan den anderen kant moet men ook niet te veel aan den ouden bouwtrant vasthouden, waar het een nieuwe wijk betreft.

vanderplaatstraat.jpg
afb. 4 De modernistische woningen aan de Generaal van der Plaatstraat, vlak na de bouw in 1934. (Collectie Stadsarchief Breda)

De auto, een symbool van de moderne tijd

In de jaren dertig kwam het autoverkeer op. Alleen welgestelden en leden van de elite konden zich uiteraard een automobiel veroorloven. De auto was nieuw en modern en het modernisme was dan ook de aangewezen stijl voor garages, benzinestations, viaducten, bruggen enzovoorts. Voor de autos werden in deze tijd betonwegen aangelegd (we vinden nog een relict bij het Liesbos). Le Corbusier liet vaak zijn werken fotograferen met een auto op de voorgrond. Hij zag grote overeenkomsten tussen de productie van autos aan de lopende band en de bouw van zijn ideale huizen, machines om in te wonen.

vvv_kiosk.jpg
afb.5 Het gebouwtje van de VVV op het Stationsplein uit 1936 op een eigentijdse foto. (Collectie Stadsarchief Breda)

In 1936 werd door koningin Wilhelmina de Moerdijkbrug geopend. Breda maakte van de gelegenheid meteen gebruik om zich te promoten als villastad, aangenaam gelegen te midden van de bossen. De autoweg (autostrada) van Rotterdam naar Breda werd echter vóór de oorlog niet voltooid. De Zuidelijke Rondweg werd wel gedeeltelijk aangelegd. De betonnen bruggen in deze weg werden gecamoufleerd met baksteen om zo acceptabel te zijn. Ook hier is dus niet gekozen voor modernisme als oplossing.
Aan de Teteringsedijk prijkt nog steeds een benzinestation uit 1935. Het staat op de monumentenlijst. Het modernistische gebouwtje van de VVV op het Stationsplein uit 1936 overleefde de storm der tijden echter niet. Ook de bushokjes die op verschillende plaatsen werden gebouwd in modernistische vormgeving zijn allang verdwenen.

Warenhuizen en winkels in de binnenstad

Het concept van Breda als villastad veronderstelt ook een centrum met voorzieningen voor de betere kringen zoals winkels, warenhuizen, passages, restaurants, theaters en bioscopen. Modernisme kunnen we in deze tijd wel verwachten bij commerciële gebouwen die de aandacht moeten trekken. Door een moderne pui of een modern, groot gebouw lok je klanten. Commerciële panden zijn echter aan een enorme erosie onderhevig en worden vervangen als er behoefte is aan een nieuw uiterlijk en indeling. Als er al modernistische winkelpuien geweest zijn in de binnenstad zijn deze allemaal weer verdwenen.
Het pand van de warenhuisketen Vroom en Dreesmann op de hoek van de Karrestraat en de Nieuwstraat dateert van 1924. Het betonskelet wordt gecamoufleerd met een gevel in Art-Decostijl. Later, in 1934, werd halverwege de Karrestraat een tweede pand gebouwd door V&D. De voorgevel neigde naar het modernisme, maar neigde ook naar de Art Deco. Het gebouw werd uitgevoerd als een betonskelet in drie bouwlagen. Er waren problemen met de bouwhoogte. V&D wilde veel hoger bouwen, maar de directeur van Openbare Werken wilde geen toestemming geven. De argumenten waren dat het gebouw te hoog zou worden in relatie tot de breedte van de straat. Dat geeft ook wel aan dat Breda vóór de oorlog geen stad was voor hoogbouw. Het V&D-pand is uitgebrand in 1961. De gevel is sindsdien nog enkele malen gewijzigd, maar het originele betonskelet is nog in het pand aanwezig.

Vroom%20en%20Dreesman.jpg   paviljoen%20wielerbaan.jpg
afb.6 en 7 Links: de Nieuwbouw van Vroom en Dreesmann in de Karrestraat tijdens de bouw, 1934. Rechts: Het modernistische paviljoen van Vlinderco op de Wereldtentoonstelling van Antwerpen in 1930 deed later dienst bij de Ginnekense wielerbaan. Het prachtige gebouwtje verdween tijdens de Tweede Wereldoorlog.(Collectie Stadsarchief Breda)

Moderne fabrieken

In Breda is vóór de Tweede Wereldoorlog geen hoogbouw gebouwd. Daarmee missen we een belangrijke categorie bouwwerken die in aanmerking zouden kunnen komen voor een modernistische vormgeving. Wel is modernisme toegepast bij de bouw van fabrieken. Zelfs de pastoor kon er geen bezwaar tegen hebben dat een fabriek er uit zag als een fabriek. In Breda waren veel betonmaatschappijen actief: Stulemeijer, later Internationale Gewapendbeton Bouw (IGB), Vriens, later Bredasche Beton Maatschappij en het nog steeds bestaande Sprangers Bouwbedrijf. Betonbouw geeft logischerwijs aanleiding tot een modernistische vormgeving. Vaak werden fabrieken uitgevoerd als een betonskelet, waarna het skelet werd opgevuld met bakstenen wanden en ramen met stalen kozijnen. Fabrieksgebouwen kennen echter een korte levensduur. Als het productieproces verandert, het bedrijf wordt opgeheven of de economische omstandigheden zich wijzigen volgt vaak sloop. Er zijn waarschijnlijk geen modernistische industriegebouwen meer in Breda van vóór de Tweede Wereldoorlog.

De Etna aan de Tramsingel en de Kwatta aan de Nijverheidssingel lagen tegenover elkaar en vormden samen een modernistisch industrieel landschap. De IJzergieterij en Emailleerfabrieken de Etna bestond al langer aan de Tramsingel. In 1914 werd een nieuw gebouw toegevoegd in beton in wat we kunnen beschouwen als modernistische vormen. Het werd ontworpen gebouwd door de firma Stulemeijer. In 1935 bouwde de IGB er nog eens een forse vleugel aan. Naar het schijnt heeft Gerrit Rietveld adviezen gegeven voor deze bouw. De Kwattafabriek werd in fasen gebouwd tussen 1914 en 1918. Ook de Hollandsche Kunstzijde Industrie (HKI) aan de Markkade was gedeeltelijk gebouwd in modernistische vormen.

Etna.jpg
afb. 8 Het fabrieksgebouw uit 1914 van de ijzergieterij de Etna aan de Tramsingel (let op de tramrails). Foto: Fotopersbureau Het Zuiden, 1931. (Collectie Stadsarchief Breda)

De Wereldtentoonstelling in Antwerpen in 1930

Het modernisme was blijkbaar ook geaccepteerd voor kleine, soms tijdelijke gebouwtjes en paviljoentjes. Het bedrijf Vlinderco te Princenhage, een fabriek die gedroogde groenten, soep- en blikgroenten enzovoorts produceerde, was met een modernistisch paviljoen vertegenwoordigd op de Wereldtentoonstelling in Antwerpen in 1930. Het paviljoentje was gebouwd door het Bredase (of Princenhaagse) bouwbedrijf Sprangers. Op deze wereldtentoonstelling stonden heel wat meer modernistische paviljoens. Later werd het mooie gebouwtje opnieuw opgebouwd op het terrein van de wielerbaan in Ginneken om daar dienst te doen als centraal paviljoen. Het heeft de oorlog echter niet overleefd.

Vrije tijd en onderwijs

Moderne vormen, beton, staal en glas werden in de jaren dertig geassocieerd met licht, lucht en gezondheid. Het modernisme leek daarom de aangewezen stijl voor sportvoorzieningen, gebouwen in verband met de gezondheidszorg en scholen. De Openbare Lagere School Keizerstraat werd gebouwd in 1929, maar bestaat nu niet meer. In 1932 ontwierp Frans Mol kleuterhuis de Krabbenbossen, vlak bij Breda, nog net op het grondgebied van Rijsbergen. Dit prachtige modernistische pand, een feestelijke compositie van witte, kubistische vormen, waar de kleuters wel gezond moesten worden, bestaat ook niet meer. Ook het Sportfondsenbad op de hoek van de Vierwindenstraat en de Nassausingel werd gesloopt.

De Nutskleuterschool aan de Boeimeersingel bestaat gelukkig nog wel. Het gebouw is een zakelijk expressionistische ontwerp van Architectenbureau Korteweg en Verwoerd uit 1934. Het gebouw is samengesteld uit verschillende doosvormige, plat afgedekte bouwvolumes. De ronde vensters in de voorgevel en in de oostgevel zijn als enige nog voorzien van de authentiek stalen kozijnen. Tegen de voorgevel is de naam van de school in stalen letters in een voor de bouwtijd kenmerkend lettertype weergegeven. Het bouwwerk is nog steeds in gebruik bij de Stichting Nutsscholen Breda.

Een dramatische ontwikkeling

Er is nooit veel gebouwd in modernisme in Breda, maar in de loop van de jaren dertig werd de architectuur in deze stad steeds conservatiever van vorm. Wat er aan modernisme gebouwd is, is gebouwd vr 1935. Naarmate het jaar 1940 dichterbij kwam verschenen er steeds meer villaatjes, kerken en kapellen in romantische vormen met natuurstenen elementen, zware, houten balken, luiken en ramen met kleine ruitjes. Huis den Deijl is hiervan een goed voorbeeld.

zwaantjesweg.jpg
afb.9 De bouwtekening van Zwaantjesweg 1 van de Ginnekense architect J. de Lint uit 1936, een villaatje, gecamoufleerd als een negentiende-eeuws boerderijtje. (Bouwtekeningen stadsarchief Breda)

Ook vanuit de overheid werd steeds meer druk uitgeoefend op het modernisme. Onder andere werden door middel van bebouwingsvoorschriften schuine daken verplicht gesteld. In 1934 stelde de gemeenteraad bebouwingsvoorschriften vast voor het villapark Brabantpark. Het park moest worden bebouwd in een zogenaamde open bebouwing, vrijstaande woningen of vrijstaande blokken van twee woningen, terzijde waarvan de ruimten onbebouwd moesten worden gelaten. Het gemeentebestuur wilde hier dus geen modernistische villas met platte daken hebben. De woningen moesten volgens de bebouwingsvoorschriften worden voorzien van een schuine kap met een dakhelling van 45 graden. De Bebouwingsverordening Mastbosch (geldig voor de Burgemeester Kerstenslaan, Burgemeester de Manlaan en Oranjelaan) werden goedgekeurd in 1935. Alle woningen hier moesten voorzien zijn van een kap. Burgemeester en Wethouder konden ontheffing verlenen. De modernistische villas bestonden toen echter al. In 1939 werden door de bekende traditionalistische architect M.J. Granpré Molière bebouwingsvoorschriften opgesteld voor Boeimeer (dit plan is nooit uitgevoerd). De hoofdgebouwen moesten worden gedekt met daken met een helling van tenminste veertig en ten hoogste zestig graden.

In mei 1940 werd Nederland bezet door het Duitse Rijk. Daarna werden nog veel gebouwen die oorlogsschade hadden opgelopen, hersteld in traditionele vormen. Eind 1941, begin 1942 was het keerpunt voor de Duitsers en werd de bouw in Nederland stilgelegd om materiaal en menskracht te gebruiken voor de verdediging van het Duitse Rijk.

Conclusie

Breda is trots op zijn interbellumwijken. Grote wijken in een verantwoorde stedenbouwkundige en architectonische vormgeving bepalen voor een gedeelte de identiteit van de stad. Er is in Breda weinig gebouwd in modernistische stijl en van wat er dan nog gebouwd is, is nog eens vaak gesloopt. We moeten zuinig zijn op datgene dat nog rest. Wat er over is staat bijna allemaal op de monumentenlijst. Je kunt je zelfs afvragen of niet alsnog de Betonwoningen in de Zandberg op de lijst moeten worden gezet.

De tegenstelling tussen het modernisme en het traditionalisme was met de Tweede Wereldoorlog nog niet opgelost. Ook in de naoorlogse wijken, zoals de Heuvel, zien we een worsteling van stedenbouwkundigen en architecten met de eisen van de moderne tijd wat betreft bouwtypen en stedenbouwkundige vormgeving.

Literatuur
Marc Berends en Gerard Otten, We werden verliefd op het huis, De burgemeesterswoning van Princenhage in oude glorie hersteld, in ErfgoedBrief nummer 20, winter 2012-2013.
Ietje Erkens-Mol, Frans Mol, een Bredase architect, 1910-1963 (Breda, 2010). ErfgoedReeks Breda nummer 5.
Giovanni Fanelli, Moderne architectuur in Nederland, 1900-1940 (s-Gravenhage, 1981).
Johan Hendriks, Gerard Otten en Patricia Böschen (red.), Het Breda boek (Zwolle en Breda, 2008).
IGB, 1905-1955 (Breda, 1955).
Marieke Kuipers, Bouwen in beton, experimenten in de volkshuisvesting voor 1940 (s-Gravenhage, 1987).
Landhuis te Breda, architect Rietveld, in De 8 en opbouw, 10 november 1932.
Gerard Otten, De watertoren in de Belcrum, een miskend monument, in Engelbrecht van Nassau, jaargang 2001, nummer 1.
Gerard Otten, Het Stadserf te Breda (Breda, 2008). ErfgoedRapport Breda 11.
Gerard Otten, Het Van Koolwijkpark (het voormalige Brabantpark) te Breda, Een generatieconflict in de stedenbouw, in Jaarboek de Oranjeboom LXII (2009).
Uitbreiding fabrieksgebouwen der NV IJzergieterijen en Emailleerfabrieken "De Etna" te Breda, in Technisch IGB, 1935, nummer 35.
Cees Willemsen, Het fundament

Deel dit bericht

Nieuwsbrief