27 augustus 2020

Een vergeten begraafplaats in de vesting Breda

Archeologisch onderzoek aan de Anna van Burenstraat en het Speelhuisplein

Lina de Jonge

In oktober en november van 2017 heeft op het braakliggende terrein aan de Anna van Burenstraat, vlakbij het station van Breda, archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Dit naar aanleiding van de herontwikkeling van het terrein. Hier wordt inmiddels druk gebouwd aan het Thes complex, waar appartementen met een parkeergarage en een supermarkt gerealiseerd zullen worden. 
Aan de hand van historische bronnen bestond het vermoeden dat op dit terrein sporen van de 17de eeuwse vesting van Breda aan het licht zouden komen. Bij de archeologische begeleiding tijdens de sloop van de panden van de voormalige Albert Heijn en Bric&Brac in 2013 en 2014 kwamen onverwacht enkele menselijke skeletten tevoorschijn. De archeologen hielden vanaf dat moment rekening met de mogelijkheid dat er meer skeletten aanwezig zouden kunnen zijn.
Dit vermoeden werd tijdens proefonderzoek in oktober 2017 bevestigd. Tijdens dit proefonderzoek zijn vier sleuven gegraven, waarin zich in het zuiden van het terrein graven aftekenden. Deze graven liggen allemaal binnen het voormalige lunet Coehoorn; een vestingwerk dat hier van 1682 tot 1869 was gesitueerd. De graven bevinden zich in een zone parallel aan de wal van het lunet. Het lunet is aangelegd in 1682, dus de graven dateren van na dit jaar. Rond 1870 is bij het opheffen van de vestingwet de vesting gesloopt.
Op basis van de resultaten van het proefonderzoek is vervolgens besloten dat het gebied binnen het voormalige lunet volledig opgegraven moest worden, met uitzondering van het deel waar de voormalige bebouwing gesloopt was – hier was de bodem tot op grote diepte verstoord. Tijdens dit vervolgonderzoek hebben de archeologen van de gemeente Breda meer graven aangetroffen. In totaal zijn er 34 graven gevonden.

opgravingsgebied op topografie

Afb.1. Topografische kaart met het plangebied aan de Anna van Burenstraat, waar archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden.

Het veldonderzoek

De graven zijn in het veld vervolgens onderzocht door de archeologen en een fysisch antropoloog. Per graf zijn de resten van de kist (hout en spijkers) en het skelet voorzichtig blootgelegd. Elk graf is vervolgens nauwkeurig ingetekend en beschreven, Eventuele vondsten, die zich in het graf bevonden, zijn verzameld. Er zijn monsters genomen van het hout van de kisten en van de grond rondom de maag- darmstreek. De houtmonsters zijn genomen om mogelijk een dendrochronologische datering te laten uitvoeren (datering op basis van jaarringenonderzoek) en om het soort hout waarmee de kisten zijn vervaardigd te laten bepalen. De grondmonsters van de maag- darmstreek kunnen onderzocht worden op de aanwezigheid van darmparasieten. 
Na documentatie in het veld zijn de menselijke botresten gelicht en verpakt voor nader onderzoek op het archeologisch depot in Breda. Hier zijn voor elk skelet ook monsters voor eventueel toekomstig DNA en isotopen onderzoek genomen.

opgraven skelet 1 opgraven skelet 2
Afb. 2 a en b. Onderzoek van de graven in het veld.

Een begraafplaats op Lunet Coehoorn

Tijdens het onderzoek zijn 34 graven gedocumenteerd. De graven liggen allen noordwest-zuidoost georiënteerd in (minstens) vier rijen parallel aan de wal van het lunet. De bodem in het centrale deel van plangebied is verstoord, maar we kunnen er vanuit gaan dat ook hier graven hebben gelegen. Dit zou betekenen dat de begraafplaats tenminste een oppervlakte van 675 vierkante meter heeft beslaan. Bij deze berekening is het graf dat tijdens de archeologische begeleiding in 2014 is aangetroffen buiten beschouwing gelaten.
De meeste graven betreffen enkelvoudige begravingen, waar de overledene in een grafkuil met een diepte van 1 tot 1,5 meter onder maaiveld in een houten kist is bijgezet. In drie gevallen bleken er twee kisten in de grafkuil te zijn geplaatst. Deze kuilen reikten tot 2 meter onder het maaiveld.
Er zijn twee oversnijdingen van grafkuilen waargenomen in het vlak, wat betekent dat er in minstens twee fasen is begraven op het lunet. Mogelijk waren de graven aan het maaiveld niet gemarkeerd en is er gedurende een langere periode op het vestingwerk begraven.
De doden zijn ofwel met het hoofd óf met de voeten in het noordwesten begraven. Enige afwijking hierop is het graf dat tijdens de begeleiding in 2014 is aangetroffen: dit graf lag noordoost-zuidwest georiënteerd. Met één uitzondering lagen alle individuen op de rug in de kist met de handen naast het lichaam of in de schoot. Eén individu was op de buik in de kist of het graf geplaatst.
graven op lunet Coehoorn
Afb. 3. De aangetroffen begravingen en de minimale omvang van de begraafplaats (rood kader) geprojecteerd op de reconstructie van de vesting Breda in 1682. Rood omcirkeld is de begraving, die tijdens de archeologische begeleiding in 2014 is aangetroffen. 

Van twaalf doodskisten zijn fragmenten hout onderzocht. De kisten zijn vervaardigd van naaldhout, waarvan er bij acht met zekerheid is vastgesteld dat het grenenhout is. Dit is niet de goedkoopste houtsoort voor doodskisten, maar mogelijk waren de gebruikte planken wel vrij dun. De verzamelde fragmenten kisthout waren niet geschikt voor een dendrochronologische datering.
Er zijn geen grafgiften of resten van kleding aangetroffen. Mogelijk zijn de doden in een hemd begraven en zijn de textielresten volledig vergaan in de bodem. Metaalvondsten, zoals kledinghaakjes, spelden of knopen zijn niet gedaan in de graven. Er zijn een schoengesp en een riemtong in de vulling van de grafkuilen aangetroffen, maar dit zijn vermoedelijk objecten afkomstig uit het doorgraven akkerpakket.

opgraven skelet 3
Afb. 4. Grafkuil waarin twee kisten op elkaar zijn geplaatst (onderste skelet in rood, bovenste in blauw).

Onderzoek van het skeletmateriaal

De skeletten zijn onderworpen aan een fysisch antropologisch onderzoek. Dit onderzoek heeft als doel een beschrijving en interpretatie te kunnen geven van de fysieke kenmerken van de opgegraven groep individuen. De individuen, die in anatomisch verband zijn aangetroffen en opgegraven, zijn geselecteerd voor het onderzoek. Dit betreffen in totaal 33 individuen. Per individu is getracht de volledigheid, de conservering, de leeftijd bij overlijden, het geslacht, de lichaamslengte, de gebitstatus, de schedelvorm, anatomische varianten, pathologische botveranderingen en traumata vast te stellen. 
De volledigheid van de skeletten varieerde sterk, afhankelijk van de mate van verstoring in de bodem of de conservering van het botmateriaal. De conservering van het botmateriaal is redelijk tot slecht. Met name begravingen die op een dieper niveau zijn aangetroffen waren slecht geconserveerd.
Het fysisch antropologisch onderzoek wijst uit dat de meeste individuen zijn overleden op een leeftijd tussen 15 en 29 jaar, met een gemiddelde leeftijd bij overlijden van 23 jaar. Deze jonge leeftijd bij overlijden geeft aan dat deze mensen zijn gestorven aan een niet natuurlijke doodsoorzaak. Jonge kinderen ontbreken, wat een indicatie is dat het hier geen burgerbegraafplaats betreft. Alle individuen zijn gedetermineerd als man met uitzondering van één mogelijke vrouw. Ook hier wijkt deze skeletsample af van een burgerbegraafplaats, waar men een min of meer gelijke verdeling van mannen en vrouwen zou verwachten. De gemiddelde lichaamslengte bedraagt 171 centimeter, de mogelijke vrouw was circa 159 centimeter lang. Hoewel dit gemiddelde voor de mannelijke individuen vergelijkbaar is met resultaten van andere Bredase skeletsamples (Gasthuis en Zwartzusterklooster) kunnen op basis hiervan verder geen verregaande conclusies over de gezondheidstoestand gemaakt worden. Het gemiddelde is namelijk gebaseerd op een totaal aantal van slechts twaalf individuen.

Er is weinig pathologie gevonden op zowel de botten als de gebitten. De skeletten vertonen wel sporen van trauma: negen individuen vertoonden sporen van geheelde fracturen, bij één individu zijn beide opperarmbeenderen gebroken, en er zijn twee gevallen van schedeltrauma. Ook zijn er botveranderingen aanwezig die wijzen op zware lichamelijke inspanning, met name in de schouder en rug. 
Het was in geen enkel geval mogelijk de doodsoorzaak vast te stellen. Eén individu lijkt zijn opperarmbeenderen rond het moment van overlijden te hebben gebroken. Hij is mogelijk slachtoffer van krijgsgeweld. 

opgraven skelet 4
Afb. 5. Graf van een jonge man, waarbij zijn rechter arm (blauw), linker voet (rood) en een deel van zijn rechter voet (groen) zijn geamputeerd en in het graf zijn mee begraven. 

Sporen van een lijkschouwing

Bijzonder aan deze begraafplaats zijn de gevallen van medisch ingrepen bij maar liefst twaalf van de onderzochte individuen. Er zijn ledematen geamputeerd, waarvan duidelijk is dat de personen deze amputatie niet hebben overleefd. De botten vertonen namelijk geen tekenen van genezing en de geamputeerde delen zijn mee in de kist begraven. Aannemelijk is zelfs dat deze amputaties na de dood van deze personen zijn verricht. Er is sprake van een schedellichting bij zeven personen en één geval van trepanatie. Deze ingrepen zijn vermoedelijk uitgevoerd in het kader van een obductie. Een lijkschouwing werd gewoonlijk verricht op verongelukten, verdronkenen, zelfmoordenaars, militairen en geestelijk gestoorden (Portegies 1999). De reden tot een obductie was in eerste instantie om de doodsoorzaak vast te stellen, maar werd ook uit een wetenschappelijke interesse uitgevoerd.
Bij drie individuen is een parasitologisch onderzoek van de darminhoud uitgevoerd, waarbij geen darmparasieten zijn gevonden. Als er inderdaad obductie is gepleegd op deze personen, dan zou het mogelijk kunnen zijn dat er geen darminhoud mee begraven is en er daarom geen  darmparasieten meer aanwezig zijn. 

dijbeen en opperarmbeen onderkaak schedellichting 

Afb 6. 1. Geamputeerde linker dijbeen en rechter opperarmbeen  6.2. Doorgezaagde onderkaak 6.3. Schedellichting.

Begraafplaats van het militair hospitaal Breda?

De aangetroffen begraafplaats heeft gezien de oriëntatie van de graven, de datering van het vondstmateriaal in de grafkuilen vòòr de zeventiende eeuw en de resultaten van het fysisch antropologisch onderzoek, op het lunet Coehoorn voor een periode tussen 1682 en 1869 bestaan. Waarom er juist op dit lunet is begraven is niet duidelijk, maar lunet Coehoorn lijkt niet uniek te zijn in Breda wat betreft het begraven op vestingwerken. In december 1999 werd een waarneming gedaan op het voormalige lunet B, waarbij een concentratie menselijk botmateriaal is aangetroffen (Brandenburg 1999). Ook zijn er verhalen bekend van menselijk botmateriaal dat
werd gevonden bij de herinrichting van het Wilhelminapark- ter hoogte van diverse zeventiende eeuwse buitenwerken (Otten 2020). In het archief van Breda wordt melding gemaakt van een begraafplaats voor de Schotten in de wallen in 1748. De context van de begraafplaats op het vestingwerk (militair grondgebied) en het feit dat hier voornamelijk jonge mannen zijn begraven, zijn duidelijke aanwijzingen dat het hier een militaire begraafplaats betreft. De
aangetroffen traumata en de indicatoren voor zware lichamelijke inspanning zijn kenmerkend voor een groep soldaten. Vergelijkbare skeletsamples zijn bijvoorbeeld: Slag van Lafelt 1747 (Berk 2014), Britse invasie Groote Keeten 1799 (Van der Linde 2017 en 2018), Massagraf Franse soldaten ‘s-Hertogenbosch 1794-1795 (Van der Linde 2015).
De soldaten, die begraven zijn op het lunet Coehoorn, zijn vermoedelijk overleden in het militair hospitaal van Breda. Dit vermoeden is gebaseerd op het feit dat op een groot deel van de begravenen obductie is gepleegd. Daarnaast zijn de soldaten met zorg begraven. De doden zijn gekist en meestal in enkelvoudige graven bijgezet. Er lijkt een langere periode te zijn begraven op het lunet gezien de oversnijdingen van grafkuilen. Begraafplaatsen op vestingwerken zijn meer bekend uit historische bronnen en archeologisch onderzoek. Veelal gaat het dan om begraafplaatsen ontstaan uit noodzaak, waar in korte tijd veel doden begraven moesten worden. De doden worden in een massagraf gelegd of in de wallen begraven. Daar is op lunet Coehoorn geen sprake van. De aanwezigheid van een mogelijke vrouw in deze populatie is opvallend. Misschien was zij in dienst van het leger (dienstpersoneel of soldaat) of nam het militair hospitaal ook burgerpatiënten op. Of is zij onder omstandigheden overleden, waarvoor het nodig werd geacht obductie te plegen (haar schedel is gelicht)? Dit alles blijft natuurlijk speculatie.

Sporen van het vestingwerk

De gracht, die rondom het lunet Coehoorn heeft gelegen, is op verschillende plekken in het plangebied aangesneden. Er is een deel van de noordelijke buitengracht aangetroffen. De ligging van de gracht wijkt enkele meters af van de reconstructie van de vesting: de gracht heeft in werkelijkheid 3 tot 6 meter zuidelijker gelegen. Op basis van de aangetroffen sporen kan de breedte van dit deel van de noordgracht bepaald worden: deze zal circa 26 meter breed zijn geweest. De bodem van de vestinggracht is niet in beeld geweest. Op basis van metingen, die vlak voor de ontmanteling van de vesting Breda zijn verricht aan het lunet Coehoorn, zal de noordelijke gracht circa 3,85 meter diep zijn geweest (onderkant op 1,60 m - A.P. ≈ 1,35 m - N.A.P.).

Lunet Coehoorn op topografie
Afb. 7. Huidige luchtfoto met projectie van de reconstructie van de vesting Breda in 1682 ter hoogte van het plangebied (blauw kader).
 
Tijdens het veldwerk is een doorsnede door de gracht gemaakt, waarin twee dempingsfasen zijn gedocumenteerd. In de eerste fase is een deel van de wal of het zandlichaam op het lunet in de gracht geschoven. In deze vrij schone, geel grijs gevlekte zandvulling zijn overblijfselen van verstoorde graven gevonden: menselijke botten en spijkers van de kisten. De tweede fase is de demping van de gracht in de loop van de twintigste eeuw met een lichtgrijs grijs gebrokte puinrijke vulling. 
Binnen en/of op de wal van het lunet is een kuilenstructuur aangetroffen. In het oosten is een rij van zeven vierkante kuilen gedocumenteerd, en daar ten zuidwesten van ligt nog een reeks van zeven soortgelijke kuilen. Wanneer de oriëntatie van het lunet wordt gevolgd kunnen de kuilen van beide structuren verbonden worden in noordoost-zuidwest gelegen rijen, waarbij de kuilen per rij op vijf meter afstand van elkaar zijn gelegen en de rijen zelf op drie meter afstand van elkaar liggen. Als deze structuur verspreid over het gehele binnenterrein van het lunet heeft bestaan, dan zou dat betekenen dat er meer dan 130 kuilen op het lunet zijn gegraven. Tijdens de archeologische begeleiding in het plangebied in 2013/2014 is ook een dergelijke kuil in het zuidoosten van het plangebied aangetroffen. Dit geeft een duidelijke aanwijzing dat deze kuilen over een groter oppervlak binnen het lunet aanwezig zijn geweest.
Wat de functie van deze structuur is geweest blijft onduidelijk. Mogelijk dat het hier om sporen van beplanting (plantgaten) op het vestingwerk gaat. Een andere herkomst van de kuilen die samenhangt met de vestingbouw of latere versterking op het lunet is ook mogelijk. Een duidelijke  interpretatie van de kuilenstructuur is vooralsnog niet te geven.

Overige sporen

Buiten de grenzen van het lunet zijn sporen van grondverbetering, paalsporen en enkele kuilen gedocumenteerd, die vermoedelijk dateren van na het slechten van de vesting Breda eind negentiende eeuw. Het terrein binnen het voormalige lunet wordt na de ontmanteling van het vestingwerk in gebruik genomen als fabrieksterrein. De bouw en sloop van deze fabrieksgebouwen hebben grootschalige verstoringen in de bodem achtergelaten.
Bezoek de tentoonstelling Ziek en Gezond in het Collectielab van het Stedelijk Museum Breda om meer te weten te komen over de mensen begraven op lunet Coehoorn.
Lees het volledige rapport van deze opgraving hier.

Literatuur

Berk, B.W.M., 2014. Rapportage fysisch-antropologische determinatie inhumaties afkomstig van de Bonderstraat te Lafelt (LA-13-BO) (ook in Condor Rapporten 109).
Brandenburg, C., 1999. Waarneming Hoornwerkstraat lunet B (BR-74-99), intern dagrapport Breda.
Jonge, L. de, 2020. Breda Speelhuisplein, Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven – doorstart Opgraven (Erfgoedrapport Breda 291), Breda.
Linde, van der C., 2015. ’Het fysisch antropologisch onderzoek’, in: R.J.M. van Genabeek, C. van der Linde, L.M. Kootker, J. Buiks, ’s-Hertogenbosch Bastion Baselaar. Opgraving van een massagraf van Franse soldaten uit 1794 en 1795, ’s-Hertogenbosch.
Linde, van der C., 2017. Analyse van de slachtoffers van de Britse invasie in Groote Keeten, Amsterdam.
Linde, van der C., 2018. Analyse van het skelet van een voormalige soldaat van de Bataafse armee, aangetroffen ten noorden van ‘t Botgat, Amsterdam.
Otten, 2020. Mondelinge mededeling Gerard Otten.
Portegies, M., 1999. Dood en begraven in ’s-Hertogenbosch, Het Sint-Janskerkhof 1629 – 1858, Utrecht.

Deel dit bericht

Nieuwsbrief