21 oktober 2014

Te weinig bemind Breda?

Vier onderzochte bouwblokken beschouwd

John Veerman

Het Bouwblokonderzoek Binnenstad (BOB) is volop in uitvoering. Dit project heeft als doel om alle panden in de compacte binnenstad van Breda te bekijken door een bouwhistorische bril. Hierbij gaat de aandacht vooral uit naar de gebouwen die niet als geregistreerd monument bescherming genieten. Door middel van quick scans wordt een indruk verkregen van de ouderdom en de ontwikkeling van individuele panden en van de cultuurhistorische waarden die aanwezig zijn. Gaandeweg ontstaat een steeds scherper beeld van de historische materie waaruit de binnenstad als geheel is opgebouwd, een beeld dat bovendien soms afwijkt van dat wat wij tot nog toe hadden.

bouwblokken.jpg
De bouwblokken (geprojecteerd op het kadastraal minuutplan van 1824)die reeds onderzocht zijn of waar nu onderzoek plaatsvindt.

Quick scans

Er zijn voor het BOB alleen al dit jaar tientallen quick scans uitgevoerd, korte geconcentreerde bouwhistorische onderzoeken in en rondom panden. Eigenaren en gebruikers verlenen in veruit de meeste gevallen onbaatzuchtig hun medewerking. Het project richt zich momenteel op de bouwblokken die liggen aan twee van de drie historische hoofdassen: de Brugstraten in het verlengde van de Haagdijk en het tracé Torenstraat-Karrestraat-Eindstraat dat op de Ginnekenstraat aansluit. Uiteraard zijn hun achter-, zij- en binnenstraten daarbij betrokken.

Het individuele huis en de stadsgeschiedenis

Er komen twee schijnbare tegenstellingen aan het licht wanneer de vraag naar de uiteindelijke doel wordt gesteld. Aan de ene kant bestaat er een redelijk goed beeld van hoe de binnenstad zich in de voorbije acht eeuwen heeft ontwikkeld. We zoeken tijdens het gebouwenonderzoek naar details die dit beeld illustreren, de heersende idee onderbouwen. Aan de andere kant dringt het besef zich op, dat elk pand een individuele geschiedenis kent, al is die nauw verbonden met het omliggende stedelijke weefsel en met de geschiedenis van de stad.
Om met dat tweede aspect, het individuele, te beginnen: Geen enkel gebouw is bevroren in zijn ontstaanstijd. Zo heeft Breda geen zestiende- of achttiende-eeuwse gebouwen. De Grote Kerk is geen Renaissancekerk, zoals wel eens wordt gezegd. Een appartement dat werd gebouwd in 1996 is geen laat-twintigste-eeuwse woning, althans niet wanneer daar nu wordt geleefd en er vorig jaar nog een schilderbeurt is uitgevoerd. Hoewel het ene gebouwencomplex een langere geschiedenis kent dan het andere, is alles dat de bouwhistoricus bezoekt een gebouw in 2014.

1%20BOB-erfgoedbrief_25.jpg 2%20BOB-erfgoedbrief_25.JPG

Onbekend maakt onbemind. Dit Jugendstil-ornament links sierde honderd jaar geleden een zonder twijfel luxueus aangekleed interieur, nu een schoenenmagazijn. Zo kunnen twee bouwfasen, die qua periode niet eens zover uiteen liggen, op elkaar aansluiten.

De binnenstad van Breda bevat woningen, kantoren, een beetje cultuur en wat idealisme, maar de meeste panden hebben als belangrijkste bestemming die van winkel of horeca. Dit maakt dat op ooghoogte, het niveau van de onderpui, een beeld heerst dat sterk lijkt op dat van andere Nederlandse steden. Wie de blik wat hoger richt, ziet dat de straatwanden uit een veelvoud aan architectuurstijlen bestaan. De winkelpui mag dan zeer jong en inwisselbaar zijn, de gebouwen van de stad hebben er lang over gedaan om deze verschijningsvorm te krijgen. Zo wekt een gevel dikwijls een verwachting van wat zich binnen bevindt. Zoals de pui belooft, hoeven we niet veel te verwachten van de begane grond, al kan zich er een zorgvuldig bewaard winkelinterieur bevinden van rond 1900. Soms zijn eerste verdiepingen even teleurstellend, omdat de winkel er magazijnen en verder dikwijls slechts een kleine ingetimmerde kantine heeft. Opnieuw geldt, dat men omhoog moet kijken. Dan blijkt er af en toe een stucplafond behouden met Barokmotieven, of fraaie slaoliekrullen, of Art Deco-lijstjes. Vloeren tonen sporen van een oudere indeling, van waar eens de trap of een slaapkamer was. Op wanden ziet men misschien verf- en behangpakketten die pak em beet tien generaties dik zijn.
Een gebouw met een uiterlijk uit het derde kwart van de negentiende eeuw heeft soms een vloerconstructie die niet bij de voorgevel past. Het kan gewapend beton van na de Tweede Wereldoorlog betreffen, maar ook een samengestelde balklaag met moer- en kinderbinten die, omdat we fijn eikenhout zien, in elk geval voor circa 1650 moet zijn aangebracht. Zat dat venster aan de rechterkant er trouwens niet raar in? Als je dan weer naar buiten loopt, snap je ineens de samenhang: hier was een poortje dat later binnen het huis is getrokken. Het individuele manifesteert zich bij een paar panden zeer sterk, omdat boven de horeca- of winkelruimte de tijd stil bleef staan. Er hangt wel eens een sfeer die aan een eigen vroeger doet denken: de Wees Wijs met Water-sticker uit 1980 op de badkamerspiegel. Een andere woning bleek bevroren in zijn toestand van 1885. In de achterkamers was nog één keer behangen: onder het behang zit een Maasbode geplakt uit oktober 1919.

7%20BOB-erfgoedbrief_25.jpg
Luchtfoto van de Eindstraat. De vorm van het dak vertelt vaak al iets over de belangrijkste
bouwfasen van een pand. Ook ziet men hoe achterhuizen vastgroeiden aan het voorhuis. (foto Slagboom & Peters)

Rijke en schrale tijdperken

Het andere uitgangspunt is het inpassen van de waarnemingen in de al eerder door historisch, archivalisch, archeologisch en bouwhistorisch onderzoek voor de ruimtelijke ontwikkeling geschetste hoofdlijnen. Een onderzoeker te Breda moet een aantal kernmomenten in zijn gedachten houden. Na de globaal gekende stadswording en de eerste eeuwen (zoals de rol van het kasteel, de haven, de veste, de veertiende-eeuwse stadsmuur en de pleinen), zijn de stadsbranden van 1490 en 1534 belangrijk. Ze werden gevolgd door de grootschalige herbouw en door de stedenbouwkundige initiatieven van graaf Hendrik III. De eerste helft van de zeventiende eeuw was een onrustige tijd. Het Zilveren Tijdperk dat daarna kwam, eindigde in de late negentiende eeuw en juist toen explodeerde Breda qua omvang. Voor de binnenstad had dat in de twintigste eeuw grote gevolgen. Er ontstond haast een monocultuur als het gaat om het gebruik van het Gebouwde Erfgoed. Het laatste is niet toevallig in schuine letters gezet, omdat toen ook zoiets als monumentenzorg verscheen.
We komen alle geschetste historische perioden tegen bij de gebouwen die we onderzoeken. De footprint van de binnenstad, gevormd door de perceelsgrenzen, gaat terug tot de late middeleeuwen. De stadsbranden hebben voor een grootschalige herbouw gezorgd. De oudste dakconstructies, uit eikenhout, zijn van wel kort na 1490, wel kort na 1534. Saillant is, dat het hout en de verbindingen dikwijls grof van aard zijn. De bouwmarkt moet overspannen geraakt zijn. Uit de daaropvolgende periode hebben we ook wat kappen. Het lijkt er zelfs op, dat er uit de voor Breda schrale zeventiende eeuw ongeveer evenveel over zijn. Dit geldt in ieder geval voor de zuidelijke binnenstad. Bewijst dit dat de kappen van na 1534 inderdaad nogal gammel waren en vervangen werden? Nog opmerkelijker is het, dat het achttiende-eeuwse deel van de Zilveren Tijd weinig na heeft gelaten. De tweede helft van de negentiende eeuw komt sterker naar voren. Het lijkt erop dat men niet meer zo fier was op de gebouwen uit de pruikentijd.

5%20BOB-erfgoedbrief_25.JPG  4%20BOB-erfgoedbrief_25.JPG

'Moet u ook boven zijn? Heel graag!' Daar kan zomaar een heel oude kapconstructie zichtbaar zijn.E en dergelijk, weinig spectaculair rooster voedt de hoop dat er een middeleeuwse kelder is.

Volop laatmiddeleeuwse kelders

Er blijken veel middeleeuwse kelders behouden gebleven. Dat is logisch, omdat aanvankelijk de onderbouw vaak het enige stenen gedeelte was van het huis. Oude kelders bestaan nog in vele soorten en maten. Zij zijn dikwijls klein en bevinden zich (diep of dwars) onder wat eens het voorhuis was, met het restant van een eigen opgang naar de straat. Aan de Eindstraat, n van de oudste hoofdstraten, liggen tenminste drie zeer grote kelders. Zij strekken zich onder het hele pand naar achter uit. Dit riekt naar intensief gebruik: grootschalig vanwege de handel? In de Ridderstraat delen twee huizen een luxueus aandoende kelder met middenpijlers en kruisgewelven. Uit de volksmond klinkt begrijpelijkerwijs de ridders van Sint Jan, maar we zoeken nog naar bewijs. Bij een rijtje kelders is goed te zien dat de gebruikers beter boerden dan eerdere bezitters. Diverse ruimtes werden verbonden, waarbij soms een centraal trappenhuis werd gemaakt. We waken intussen voor 'tunnel'-visie: wanneer een kelder met die van de linkerburen werd verbonden, ging een doorgang rechts vaak juist dicht. De kelderdeurtjes zijn nooit tegelijk open geweest.

3%20BOB-erfgoedbrief_25.jpg

Een bouwhistoricus ziet deze kleine baksteen-koppen, klezoren, graag. Zij lopen in dit geval over twee verdiepingen door en vormen een aanwijzing dat de gevel ten minste zon vierhonderd jaar oud is.

Veranderende status

Aan weerskanten van de Brugstraten en van de Eindstraat-as staan huizen die misschien in de middeleeuwen bewoond werden door de rijken. In de jongere geschiedenis vestigden de hoogste klassen zich juist aan de randen van het eitje (de middeleeuwse kern). Anders dan in de Catharinastraat, Sint-Janstraat, Nieuwstraat et cetera vinden we in het hart van de binnenstad geen huizen die eeuwenlang ononderbroken een hoge status uit hebben moeten stralen. De panden en kavels bewogen mee met de tijdperken en de gebruikers. De tweede helft van de negentiende eeuw drukte een stevig stempel op de vormgeving van de voorgevels. Hoewel er vrijwel geen historische topgevels over zijn (tenminste aan de straatkant), ziet een kritische kijker hier en daar metselwerk dat wel degelijk terug voert naar de zeventiende en misschien de zestiende eeuw. Kijk bijvoorbeeld omhoog in de Waterstraat, Ridderstraat en Eindstraat.

Besluit

Al zijn de quick scans gericht op individuele percelen, we zien steeds meer samenhang en context. Het is nog te vroeg voor antwoorden op vragen als: wat is nu echt zeldzaam en bijzonder? En: wat is in de binnenstad typisch Bredaas? Maar we zijn onderweg, er worden ogen geopend.

John Veerman is zelfstandig bouwhistoricus.Voor de gemeente Breda voert hij het Bouwblokonderzoek Binnenstad uit. www.veermanbouwhistorie.nl


Deel dit bericht

Nieuwsbrief