3 februari 2021

De landhonger van Charles de Héraugière

Voor het aandeel dat Charles de Héraugière had in de verovering van Breda met het turfschip beloonde de stad Breda hem ruimhartig. Hij zette zijn financiële middelen onder andere in voor grootschalige landaankopen in de historische binnenstad.
Het begon met de aankoop in 1592 van de voormalige Schuttersdoelen, gelegen net buiten de in onbruik geraakte en deels gedempte middeleeuwse stadsgracht. Dit terrein liep door tot achter het Begijnhof en tot diep in het huidige park Valkenberg.
Daarna volgden huizen en percelen aan de Doelstraat, een straatje dat de middeleeuwse Schuttersdoelen verbond met de huidige Boschstraat. In 1595 koopt hij grote stukken grond achter Catharinastraat 87/89 zodat zijn hof uitstrekt tot aan de oostelijke muur van het Begijnhof. (Het tweede achterliggende hofje stamt uit de negentiende eeuw !)

hof van heraugiere_low.jpg
Uitsnede van een plattegrond van het Valkenberg, getekend door landmeter Christoffel Verhof in 1679. Middenonder ziet u de Catharinastraat met de Waalse Kerk en het Begijnhof. Op deze kaart is ingekleurd de loop van de oude stadsgracht en de aankopen van Charles de Héraugière. Het grootste gedeelte van het lusthof is dan nog intact maar nu als tuin van het Kapucijnerklooster. (afbeelding: Coll.Stadsarchief Breda id.19660036)

Pas in 1597 en 1598 koopt de Héraugière in delen het gehele pand aan de Catharinastraat, met alle toebehoren. Dit werd toen beschreven als “een huizing, hoving, plein, poort, stalling en erfenis met al hun toebehoorten, achter komende aan de oude vesten (de nog niet geheel gedempte stadsgracht) en aan de hof van Héraugière" (de al eerder aangekochte Schuttersdoelen).

De Héraugière creëerde hiermee een waardige tegenhanger van de uitgestrekte tuin met de daarbij behorende bebouwing die de Nassau's op het Valkenberg hadden laten aanleggen.
Héraugière stierf echter al in 1601 en het is de vraag of zijn vrouw Maria van Groenevelt en haar zoon Maurits nog van dit “lusthof ” gebruik hebben gemaakt. Zij werden in die periode genoemd als bewoners van het kasteeltje De Emer dat zij in 1603 had gekocht. Catharinastraat 91-93 met achterliggend hof werd in 1610 verkocht aan Louis de Carlier die werkzaam was als kamerheer van de koning van Frankrijk.
Door de talloze conflicten die de Héraugière en de opeenvolgende bewoners hadden met de de buren, de bewoners van het Begijnhof, zijn er veel juridische stukken bewaard gebleven die een prachtig beeld geven van de inrichting van complex maar zeker ook van de machtsverhoudingen tussen de Nassau’s, de stadselite en het Begijnhof.

Tekst ontleend aan het het interne rapport van Esther Vink "Het pand Rosa Catharinastraat 91/93. Rapport van het historisch onderzoek". (Amsterdam 2002)

Deel dit bericht

Nieuwsbrief